“Ik heb te doen met de jeugdhulpverlening”

 

JONG SPRAK MET EXPERT JEUGDCRIMINALITEIT PETER VAN DER LAAN

Jongeren die voor een appel en een ei iemand omleggen. Rapgroepen die elkaar met de dood bedreigen en soms ook tot actie overgaan. Schoolkluisjes vol met messen. Moeten we ons zorgen maken over de toenemende jeugdcriminaliteit of valt het allemaal wel mee? We legden onze vragen voor aan orthopedagoog en expert jeugdcriminaliteit Peter van der Laan.

Tussen 2009 en 2018 daalde het aantal geregistreerde minderjarige verdachten fors. Wat waren de belangrijkste oorzaken van die daling?
“Daar zijn verschillende verklaringen voor. Mogelijk wierp het eerder ingezette preventiebeleid zijn vruchten af. Het versterken van de sociale controle en van de controle door ouders, kijken achter de voordeur en op tijd ingrijpen, extra maatregelen om de risicofactoren te verkleinen en de beschermende factoren te vergroten, kunnen invloed op die daling hebben gehad. Ook is wel gesuggereerd dat de jeugdcriminaliteit minder zichtbaar is geworden omdat het zich heeft verplaatst van de straat naar de digitale wereld, al toont onderzoek aan dat het daarbij vaak om een heel ander type delinquent gaat. En misschien hield de politie zich in die periode meer bezig met andere vormen van criminaliteit zoals terrorismebestrijding en is het dus ook een kwestie van verminderde capaciteit. Soms werd daar bewust voor gekozen. Zo werd provocerend gedrag van jongeren tegenover de politie – denk aan een opgestoken middelvinger – vaker genegeerd. Al met al is moeilijk te zeggen wat nou de doorslag heeft gegeven: het is een beetje een mix.”

Opvallend is dat het percentage verdachte meisjes tussen de 15 en 18 jaar nog niet eens een derde is van het percentage verdachte jongens in die leeftijdsgroep: 0,9% tegenover 3,2%. Zijn meiden dan niet crimineel? Of anders crimineel?
“Vrouwen plegen inderdaad sinds jaar en dag minder delicten dan mannen. En áls ze het doen, dan gaat het vaak om minder ernstige en minder gewelddadige zaken. Alleen aan winkeldiefstal maken zij zich ongeveer even vaak schuldig. Als verklaring wordt wel gezegd dat jongens vooral externaliserend (crimineel) probleemgedrag vertonen en meisjes meer internaliserend, zoals suïcide en zelfbeschadiging. Je ziet ze dan ook nauwelijks in strafrechtelijke voorzieningen, maar wel in de gesloten jeugdzorg. Overigens is ook het aantal jongens tussen 12 en 18 jaar dat wordt verdacht van een delict maar een fractie van alle jongens van die leeftijd: 14,8 verdachten per 1000 jongens in die leeftijdsgroep.’”

Hoe kunnen we die lage aantallen rijmen met alle berichten in de media over piepjonge huurmoordenaars, steekincidenten onder scholieren en rivaliserende rappers die met enorme machetes zwaaien en elkaar bedreigen?
“Ik wil dat niet bagatelliseren, maar het gaat daarbij echt om hele kleine aantallen. De bulk van de jeugdcriminaliteit betreft nog steeds diefstalletjes en vechtpartijen. Het aantal jonge daders dat ernstige geweldsdelicten pleegt, is op de vingers van twee handen te tellen. Het ene jaar zeven, het andere jaar tien. In de landelijke cijfers is dat straks niet meer terug te zien. Mogelijk verdwijnt het ook wel weer. Zo’n dertig jaar geleden waren we ook bang dat 12-minners steeds crimineler werden. En in de jaren tachtig zagen we een opleving van het aantal vrouwelijke daders en sprak men van ‘emancipatie’. Dat bleken tijdelijke verschijnselen.”

Toch kun je je als jeugdhulpverlener zorgen maken over kwetsbare jongeren uit multiprobleemgezinnen, ook al gaat het om kleine aantallen. Klopt het dat juist deze jongeren gevoelig zijn voor de pogingen van drugsbazen en andere zware criminelen om ze ernstige misdrijven te laten plegen?
“Ja. Vooral van LVB-jongeren die van de materiële genoegens van het leven houden wordt makkelijk misbruik gemaakt omdat ze zo beïnvloedbaar zijn. Zoals LVB-meisjes een makkelijke prooi zijn voor loverboys, zo zijn deze jongens dat voor criminelen die een ‘hitter’ voor hun liquidaties zoeken. Overigens zijn die meestal wel ouder dan 18; geen tieners dus.”

Maar de zorgen zijn wel terecht?
“Zeker. Zij kennen hun clientèle het beste. Het probleem is echter dat de jeugdhulpverlening vaak te laat bij de problematiek wordt betrokken. Het is een goede ontwikkeling dat de jeugdhulpverlening dichter op de gezinnen zit, via onder meer de wijkteams. Toch blijft het moeilijk om in een vroeg stadium in te grijpen als men zich zorgen maakt. Er is geen juridisch mandaat. Dan ben je afhankelijk van de welwillendheid van de gezinnen en die is vaak niet heel groot. Waarom zouden zij een hulpverlener binnenlaten? Gevolg is dat je niet weet wat er zich daar thuis afspeelt. En als dat eenmaal wel duidelijk is, is het vervolgens niet makkelijk om echt stappen te kunnen zetten. Ik heb wat dat betreft met de jeugdhulpverlening te doen.”

Waarom heeft u medelijden met jeugdhulpverleners?
‘Omdat ze niet of nauwelijks instrumenten hebben om echt iets te kunnen doen. Zelfs bij een grootschalig project als de Top600. Op zich prima om risico-jongeren in de gaten te houden. Om ze aan de ene kant faciliteiten te bieden en te ondersteunen, maar daarnaast duidelijke afspraken te maken en in te grijpen als het wél uit de hand loopt. Je kunt je alleen afvragen of je hier niet alleen het laaghangend fruit te pakken hebt. Je kunt je ook afvragen of het terecht is dat gezinnen jaar in jaar uit op die lijst blijven staan. Het zijn heel ingewikkelde projecten die niet structureel de grote maatschappelijke problemen kunnen wegnemen waarmee deze gezinnen te maken hebben. Daarbij gaat het hier ook weer vaak om LVB’ers. Uit onderzoek blijkt dat die vaak problematisch – niet altijd crimineel – gedrag blijven vertonen en aangewezen blijven op hulp en steun. Die er onvoldoende is. Ik zou daarom niet in willen staan voor het ultieme succes van de Top600. Ook het idee om broertjes en zusjes preventief te volgen om te voorkomen dat zij hun oudere broer achterna gaan, is niet erg goed uit de verf gekomen.”

Is het dan niet belangrijk om probleem-gedrag vroegtijdig te
signaleren en aan te pakken?
“Daar werd aanvankelijk heel sterk op ingezet omdat uit onderzoek bleek dat probleemgedrag op jonge leeftijd zich later vertaalde naar crimineel gedrag. Langduriger onderzoek toonde echter aan dat die problematische peuters en basisschoolkinderen zich lang niet allemaal ontwikkelden tot criminelen. Daarentegen kwamen kinderen die eerder niet in beeld waren later wél in de criminaliteit terecht. In individuele gevallen is preventie lastig. Ik ben wel voor een algemeen preventiebeleid waarbij vanuit verschillende maatschappelijke domeinen wordt gewerkt aan het beperken van risicofactoren en het versterken van beschermende factoren. Maar dan wel met minimale interventie en grote terughoudendheid. Dat hebben we altijd gedaan en dat moeten we blijven doen. Er is geen enkel bewijs dat een harde aanpak beter werkt.’”

Wat zou de rol van de jeugdhulp-verlening daarin moeten zijn?
“Het is belangrijk dat politie en justitie zoveel mogelijk samen optrekken met de jeugdhulpverlening. Doe je dat op regionaal of wijkniveau? Des te beter. Maar dan moet de jeugdhulpverlening ook in staat worden gesteld om daadwerkelijk iets te kunnen doen. Niet dat je al blij moet zijn als je eens per week of zelfs per twee weken contact kunt hebben met je cliënt. Wil je echt iets kunnen bereiken, dan is intensieve begeleiding noodzakelijk. Minimaal één keer per week, zou ik zeggen, maar de optimale frequentie is afhankelijk van de specifieke situatie. Uit onderzoek weten we dat dat – zeker in ernstige gevallen – werkt. Als we dat belangrijk vinden, maak het dan ook mogelijk. Ik wens de sector toe dat ze meer geld, tijd en mogelijkheden krijgen om hun werk te kunnen doen.”

 

WIE IS ER HIER AAN HET WOORD?

Peter van der Laan
Nederlands Studiecentrum
Criminaliteit en Rechtshandhaving

Van der Laan is orthopedagoog en directeur van en onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving. Ook is hij bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Jeugdcriminaliteit is zijn specialisatie. Voorheen was hij onder meer werkzaam bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en de Dartington Social Research Unit in Engeland.

HOOFDDOEL AANPAK

Het hoofddoel van de aanpak jeugdoverlast en -criminaliteit in de regio Amsterdam-Amstelland luidt: ‘Het verminderen van jeugdoverlast en -criminaliteit en het tegengaan van doorgroei richting (drugs)criminaliteit. Voorkomen waar het kan, mede door hulp te bieden aan degenen die dat nodig hebben, en handhavend ingrijpen waar het
nodig is.’

Bron: Regionaal Veiligheidsplan 2019-2022
voor de regio Amsterdam-Amstelland, p. 15.

STRAFRECHT

Bij jeugdcriminaliteit gaat het om strafbaar gedrag van jongeren tot en met 24 jaar. Tussen 12 en 18 jaar worden jongeren berecht volgens het jeugdstrafrecht. Daarbij hebben pedagogisch gerichte sancties als een verwijzing naar HALT de voorkeur boven (taak-)straffen of maatregelen. 18-Plussers vallen in principe onder het volwassenenstrafrecht; 12-minners kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.

VIJF TYPEN JEUGDIGE DELINQUENTEN

-1-

Risicojongeren: jongeren die nog niet met politie/justitie in contact zijn gekomen maar dreigen af te glijden naar het criminele circuit.

-2-

First offenders: jongeren die voor het eerst met politie/justitie in aanraking komen

-3-

Meelopers: jongeren die al meer dan eens zijn opgepak

-4-

Veelplegers: jongeren die veel – vooral lichtere – delicten plegen

-5-

Ernstig delinquente jongeren: jongeren tussen 12 en 21 jaar die een ernstig strafbaar feit hebben gepleegd en al eerder met politie/justitie in aanraking kwamen

TOP VIJF MEEST VOORKOMENDE DELICTEN

Zo’n driekwart van alle delicten door jongeren wordt in groepsverband gepleegd. Niet iedereen is dader; sommigen kijken alleen toe.

Bron: Monitor Jeugdcriminaliteit 2017

MEER WETEN?

Zie voor meer informatie:
Kijk op de website van Het Nederlands Jeugdinstituut. Monitor jeugdcriminaliteit 2017; Regionaal Veiligheidsplan 2019-2022 regio Amsterdam-Amstelland; Criminaliteitsbeeld 2018, Gemeente Amsterdam; Meisjes in JeugdzorgPlus, 2018.