THUISKOMEN NA DE BAJES

Geld, een telefoon en pizza’s: dat was de buit die twee minderjarige jongens overhielden aan een overval op een 15-jarige pizzakoerier in Diemen. Dikke kans dat deze twee daders uiteindelijk klanten worden van het Amsterdamse programma Detentie & Terugkeer. Daarbij worden ze al in de cel intensief begeleid bij de overgang van ‘binnen’ naar ‘buiten’. Om hun kans op terugval zo klein mogelijk te maken.

Die begeleiding is hard nodig. Ga er als puber maar eens aan staan om vanuit de supergestructureerde omgeving van een gevangenis ineens weer op vrije voeten te komen. Je kan en mag alles weer! Misschien krijg je ook weer met dezelfde sores te maken die je in de bak lieten belanden. Zonder hulp is de kans groot dat je opnieuw in de fout gaat. Een belangrijke reden daarvoor blijkt het gebrek aan aansluiting tussen de periode binnen en buiten de muren. “Je kunt nog zoveel met ex-gedetineerden praten en ze netjes hun pillen geven, maar als ze vervolgens op straat gaan zwerven, sla je de plank mis”, zegt Ingrid Telkamp, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en procesmanager bij forensisch psychiatrische hulpverleningsinstantie Inforsa. Voor een succesvolle re-integratie is een stabiele situatie nodig op zes ‘leefgebieden’: een ID-bewijs, inkomen/werk en dagbesteding, zorg, huisvesting, aanpak van schulden en motivatie.

Door al tijdens de detentie op die zes gebieden actie te ondernemen wordt binnen het programma Detentie & Terugkeer gewerkt aan het verbeteren van de overgang van cel naar vrijheid, voor alle gedetineerden in en rond Amsterdam. Dat geldt ook voor jongeren tussen de 12 en 23 jaar die zijn berecht volgens het jeugdstrafrecht. In 2017 waren dat 227 jongeren. “De meesten daarvan zaten in voorlopige hechtenis”, licht programma-adviseur Ruben Lindenberg van de gemeente Amsterdam toe. Voor hen wordt een integraal en gecoördineerd plan voor terugkeer gemaakt. Verschillende instanties werken samen om die re-integratie voor te bereiden; behalve de gemeente bijvoorbeeld ook de Raad voor de Kinderbescherming, de reclassering, de Gecertificeerde Instellingen jeugdbescherming en jeugdreclassering en GGZ-instellingen als jeugdpsychiatrisch centrum de Bascule en Arkin/Inforsa.

Familie eerst

Een goede terugkeer staat of valt volgens Ingrid vooral met motivatie. Niet iedere jongere staat te trappelen om naar een hulpverlener te gaan. “Dat is niet je eerste plan als je net vrij bent”, constateert Ingrid nuchter. Vaak hebben de jongeren al vanaf hun vroegste jeugd met hulpverlening te maken gehad, via hun ouders of via school. Zeker jonge jongens vinden dat ze het best alleen kunnen. “We proberen dan via het regelen van praktische zaken binnen te komen. Ze willen meestal wel hulp bij het zoeken naar een goede school, een baantje of een woonplek. De insteek is dan: ‘Wat wil je en wat heb je nodig?’ Pas als die basis is gelegd, kunnen we verder.” De familie wordt – net als de naaste omgeving – zoveel mogelijk bij het nazorgtraject betrokken. “Kinderen hebben hun ouders nodig en we willen die relatie graag goed houden. Je mag als hulpverlener trouwens niet eens buiten de ouders om met een minderjarige aan de gang omdat zij officieel verantwoordelijk zijn. Als professional kun je dat netwerk ook nooit vervangen.” Na de detentie wordt in eerste instantie dan ook altijd geprobeerd een minderjarige ex-gedetineerde weer thuis te laten wonen. Dat lukt niet altijd: soms is zo’n familie zó destructief dat het ouderlijk huis geen veilige haven is. Als er ook geen geschikte oom, tante of ander familielid is, moet er een andere woonplek gezocht worden. Want een stabiele woonomgeving is naast motivatie die andere essentiële basisvoorwaarde voor een geslaagde terugkeer.

“Snel een zooitje”

En daar raken we een pijnpunt. De meeste jongeren gaan na hun detentie gewoon weer terug naar hun ouderlijk huis. En anders kunnen ze terecht in een van de kleinschalige woonvoorzieningen voor 18-minners. Uiteindelijk lukt het meestal wel om ze daar geplaatst te krijgen. Maar niet altijd direct bij vrijlating, volgens Ingrid en haar collega’s van het Forensisch Netwerk. Bijvoorbeeld omdat er nog onvoldoende zicht is op de specifieke woon- en hulpbehoefte van de jongere, omdat er te weinig tijd is om een geschikte plek te regelen of omdat er simpelweg nog geen plaats vrij is. Dan moeten jongeren ter overbrugging naar een noodplek. Verre van ideaal, vindt Ingrid, want daar zitten vaak grotere groepen bij elkaar dan zij zou willen. “Dat kan de problemen versterken. Bovendien is het ook een stelletje opgeschoten jongens bij elkaar. Zet gezonde pubers maar eens in een groep en het wordt al snel een zooitje. Laat staan bij dit soort beschadigde jongeren, die soms psychiatrische problemen hebben, licht verstandelijk beperkt zijn of middelen gebruiken: dat wordt dan wel heel lastig.”

Help je ze wel echt als je ze in een huis vol problematische pubers plaatst?, vraagt ze zich af. Pubers die elkaar niet altijd op een positieve manier beïnvloeden, waardoor je met je hele hulpverlening misschien weer terug bij af bent? Volgens Boris van der Heijden, die de nazorg aan jeugdige ex-gedetineerden in Amsterdam coördineert, geldt dit vooral voor de groep die intensieve zorg nodig heeft. Sinds 2015 is de situatie voor hen echter verbeterd. Om tegemoet te komen aan het schrijnende capaciteitstekort, zorgden bestaande en nieuwe zorginstellingen voor een vernieuwend aanbod kleinschalige voorzieningen voor deze jongeren. Desalniettemin zijn nieuwe plekken volgens de hulpverleners nog altijd hard nodig.

Goed geregeld

Hoewel er hier en daar best nog wat te verbeteren valt, is het volgens Ruben voor jonge (ex-) delinquenten in Amsterdam en omliggende gemeenten doorgaans behoorlijk goed geregeld. Ingrid is het met hem eens. Er wordt goed samengewerkt tussen verschillende instanties, per casus houdt een regisseur de boel in de gaten en jongeren worden bijna vanaf het begin van hun detentie gevolgd. Ook wordt samen een (nazorg-)traject op maat uitgestippeld, worden de basisvoorwaarden voor een geslaagde herintrede geregeld en wordt er van alles aan gedaan om te zorgen dat de jongeren niet op straat terecht komen. Ingrid: “De lijnen zijn kort. Ten eerste tussen hulpverlenende instanties onderling; er zijn minder eilandjes dan voorheen. We weten donders goed dat we moeten samenwerken en zoeken elkaar dus op. En ten tweede tussen hulpverleners en gemeente. Dat er nu meer passende woonvoorzieningen voor pubers komen, komt onder meer doordat de gemeente nu zelf ervaart hoeveel behoefte daaraan is.” Jonge ex-gedetineerden profiteren daarvan. Zoals die twee daders uit Diemen. Met meer perspectief is de kans groter dat ze op het rechte pad blijven.

WIE ZIJN HIER AAN HET WOORD?


Ingrid Telkamp

Ingrid Telkamp
Procesmanager Forensisch Ambulante Zorg en SPV Inforsa/Adviseur Forensisch netwerk Amsterdam

Ingrid Telkamp is verantwoordelijk voor de instroom en doorstroom van cliënten naar de verschillende ambulante zorgteams door op casusniveau consultatie te bieden, mee te denken over mogelijke zorgtrajecten en een juiste match te maken tussen vraag en aanbod. Ingrid heeft zitting in verscheidene netwerkoverleggen (zoals het indicatieoverleg van de Top600) en is als adviseur verbonden aan het Forensisch Netwerk.

Boris van der Heijden

Boris van der Heijden

Coördinator nazorg jeugdige ex-gedetineerden/Zorgcoördinator Veiligheidshuis Amsterdam

Boris van der Heijden is vertegenwoordiger van de gemeente Amsterdam binnen het Netwerk en Trajectberaad. Hij organiseert de nazorg voor jeugdige ex-gedetineerden die uitstromen in Amsterdam (in het algemeen en specifiek voor de jongeren die geen lopende justitiële maatregel hebben). Ook organiseert hij de aansluiting van de nazorg 18 op 18+ en is hij contactfunctionaris regisseurs Top600

Ruben Lindenberg

Ruben Lindenberg
Adviseur programma Detentie & Terugkeer bij de gemeente Amsterdam

Ruben Lindenberg werkt nu bijna twee jaar bij de gemeente Amsterdam. Bij het actiecentrum Veiligheid en Zorg werkt hij aan het verbeteren van de aansluiting tussen detentie en het leven in de vrije maatschappij. Ruben zet zich graag in voor het verbeteren van het functioneren van de overheid. Zijn inhoudelijke expertise ligt in de domeinen zorg en straf en vooral op het kruispunt van deze domeinen.

(Tekst: Anne Elzinga)