Van het mes op de keel naar overleg

DE NIEUWE WERKMETHODE IN DE PRAKTIJK

Het is voor iedereen nog wennen. Drie maanden werken met SPIC’s en perspectiefplannen brengt de nodige twijfels aan het licht, maar er zijn ook positieve kanten. “Cliënten worden niet langer naar een ander doorgeschoven.”

Steffen van Noesel werkt als GZ-psycholoog bij Lijn5, een gespecialiseerde jeugdzorgorganisatie voor kinderen en jongeren met complex probleemgedrag, in combinatie met een licht verstandelijke beperking. “Na deze eerste maanden heb ik veel respect voor de verwijzers en wat zij de afgelopen jaren voor hun kiezen kregen”, zegt Steffen. “Het is niet gemakkelijk om een plekje te vinden voor cliënten die specialistische zorg nodig hebben, en het oude systeem werkte het doorschuiven van ‘moeilijke’ cliënten in de hand. De nieuwe methode is een poging tot verbetering en is daarmee een aardig initiatief.”

“Hier is het plan, ga je gang”

Het plaatsen van cliënten in een zorgtraject wordt in de nieuwe werkmethode grotendeels naar de zorgaanbieders verlegd. “Lijn5 is een relatief kleine speler en heeft een relatief klein toegangsloket”, vertelt Steffen. “Het is pittig om die zorgmakelaardij erbij te doen. Daarbij merken we verschillende dingen. De meeste verwijzers gaan op dezelfde manier met ons om als voorheen: in overleg wordt het beste zorgaanbod gevonden. Er zijn ook verwijzers die ons meer onder druk zetten, met de mededeling: “Hier is het plan, ga je gang.” En dan is er een heel kleine minderheid die ons het mes op de keel zet en eist dat we binnen zes weken de behandeling in gang zetten. We zijn een kleine organisatie, maar bieden veel verschillende hulpvormen aan, waardoor verwijzers ons goed weten te vinden en we meer aanbod krijgen dan we aankunnen. Ook het uitzetten van zorg naar onderaannemers kost tijd. Over het algemeen zeg ik: het nieuwe systeem is een goed initiatief, maar de uitwerking kan beter. Neem als verwijzer altijd contact op met de toegangsspecialisten, ga samen brainstormen en houd rekening met wat de cliënt kan en wil.”

Zijn de doelen realistisch?

Steffen merkt dat financiële overwegingen meer gaan meewegen. “Vaak krijgen wij aanmeldingen waarvan we de diagnostiek willen aanscherpen. Volgens de verwijzer is dat niet nodig, maar volgens ons wel. We krijgen één keer een zak geld waarmee we het omschreven behandelresultaat moeten behalen. Dan willen we wel weten of de in het perspectiefplan gestelde doelen realistisch zijn voordat we ja zeggen. In onze doelgroep hebben we te maken met ingewikkelde casussen, die niet snel zijn op te lossen. Daar zitten risico’s aan vast.” Het beschikbare geld heeft ook gevolgen voor het bepalen van de SPIC’s. “Ik zie de neiging van hulpverleners die verwijzers al snel adviseren een cliënt zwaarder ‘in te SPIC-en’, uit angst voor zogenaamde lijken uit de kast. Zeker met cliënten die crisisgevoelig zijn, willen ze liever aan de veilige kant zitten. Dat is geen goede impuls, want het doel van marktwerking is dat het behandelaars stimuleert om steeds op zoek te blijven naar efficiëntere methoden.”

Snel specialist erbij

Een van de voordelen van de nieuwe werkmethode zou zijn dat zorgaanbieders meer vrijheid krijgen om zelf het zorgtraject in te vullen. Steffen: “Daar heb ik nog mijn vraagtekens bij. Ik zie vooral dat zorgaanbieders het spannend vinden: hoe houd je zicht op de kwaliteit van onderaannemers en hoe regel je de rapportage onderling? De hoofdbehandelaar kan onmogelijk de praktijk van de onderaannemers in het oog houden.” Maar Steffen ziet zeker ook positieve kanten. “Het voordeel van het nieuwe systeem is dat er relatief snel een specialist bij wordt betrokken die kan bekijken wat een cliënt nodig heeft. Dat voorkomt dat er eindeloos te lichte zorg wordt geboden en dat een cliënt van de ene naar de andere hulpverlener wordt doorverwezen. We zijn net een paar maanden bezig, dus we moeten nog zien hoe het verdergaat. In de lvb-zorg is het ook anders dan bij andere doelgroepen, omdat dit chronische patiënten zijn waarbij je geen snelle resultaten kunt behalen.”

Meer samenwerking

Het is te vroeg om te zeggen of het nieuwe systeem een verbetering is, vindt Steffen. “Maar ik ben ook huiverig om te zeggen dat het niet werkt. Het resultaat staat of valt met geloof en vertrouwen. Misschien moeten we het een aantal jaren de kans geven. Het punt is dat dit veel extra werk oplevert, waar mensen niet om gevraagd hebben en wat ze niet leuk vinden. Dat is een risico. Bovendien zijn we al tien jaar aan het hervormen en mensen zijn een beetje murw. Aan de andere kant: de zorg was erg klantonvriendelijk, mensen zijn veel van het kastje naar de muur gestuurd en het nieuwe systeem is erop gericht om iedereen snel te helpen. Het dwingt de ketenpartners tot veel meer samenwerking en tot het verlagen van de muren om onze vestingen. Dat zie ik wel gebeuren en dat is positief.”

De nieuwe manier van werken maakt de taak voor de gemeentelijke jeugdteams nog niet bepaald eenvoudiger, merkt Ed Visser, jeugdmaatschappelijk werker in Zaanstad. “Ik zie dat het voor iedereen nog heel erg wennen is, zowel voor de jeugdteams als voor de zorgaanbieders. Er ontstaan regelmatig discussies.” “In de praktijk voel ik soms weerstand bij zorgaanbieders die wij een indicatie toewijzen waar ze zelf weinig in kunnen betekenen”, zegt Ed. “Die willen we er dan toch bij betrekken om zicht te houden op de behandeling. Daarnaast ontstaan regelmatig discussies met zorgaanbieders over interpretatieverschillen: valt iemand met meerdere problemen onder een B- of een C-profiel? Soms lossen we dat op door een casemanager-expert in te schakelen, soms overleggen we met het contractmanagement. En in een enkel geval komen we er niet uit en moet het met een PGB worden opgelost. De escalatie-route proberen we altijd te voorkomen: wanneer de indicatiesteller en zorgaanbieder er niet uitkomen, geeft een onafhankelijke groep mensen een bindend advies.”

Geld geen excuus

Wat Ed ook wel eens hoort: “Voor dat geld kunnen we het niet doen.” “De gemeenten hebben van tevoren gezegd dat dat nooit een excuus mag zijn. Op sommige trajecten lever je wat in en op andere houd je over. Dat is een lastige discussie, maar daar blijven we zo veel mogelijk buiten. We maken een gezinsplan, stellen de resultaten vast en kiezen de zorgaanbieder die het gaat uitvoeren. Soms kunnen we nog eens bekijken of de resultaten reëel zijn of dat een andere SPIC misschien beter past, maar soms kan het niet anders. Ik kan me voorstellen dat het lastig is voor de aanbieders, maar dat moeten ze dan opnemen met de contractmanager.”

Hoop extra werk

Of de nieuwe manier van werken voordelen oplevert, is nu nog te vroeg om te zeggen, vindt Ed. “Het is enorm zoeken en wennen voor alle partijen. Bij herindicatie komt het bijvoorbeeld voor dat de hoofdaannemer te maken krijgt met een zorgaanbieder die al bij de casus betrokken was, maar die niet door de gemeente is ingekocht. De hoofdaannemer is wel verantwoordelijk en wil liever niet werken met die zorgaanbieder. Dan moeten wij de hoofdaannemer overhalen, want de klant wil het graag, die kent de aanbieder en is er tevreden over. Daarnaast gebeurt het dat de klant zorg die niet is ingekocht, zelf via zijn PGB wil inkopen. Dat is een wettelijk recht, maar daar maak ik me wel zorgen over. Kan deze klant dat zelf regelen en is de organisatie gecertificeerd? Het levert ons bovendien een hoop extra werk op: wij moeten controleren of de organisatie het beloofde resultaat behaalt en of alle betrokken organisaties voldoende samenwerken.”

WIE ZIJN HIER AAN HET WOORD?


Steffen Van Noesel

Steffen van Noesel
GZ-psycholoog werkzaam bij Lijn5

Steffen van Noesel is als GZ-psycholoog werkzaam bij Lijn5. Hij heeft veel ervaring met de specifieke diagnostiek van de lvb-doelgroep en met systeem- en psychiatrische problematiek.

Ed Visser

Ed Visser
Jeugdmaatschappelijk werker in Zaanstad

Ed Visser is jeugdhulpverlener bij MEE Amstel en Zaan en werkzaam in het jeugdteam van de gemeente Zaanstad. Voorheen werkte Ed onder meer als consulent jeugd bij MEE Amstel en Zaan en als maatschappelijk werker bij STAMA (Stichting Algemeen Maatschappelijk werk Alkmaar).

 

(Tekst: Liesbet Mallekoote)