BALANS TUSSEN KOSTENBEPERKING EN DOEN WAT NODIG IS

‘Hulp hoeft niet altijd de hoofdprijs te kosten’

Dat de kosten voor de jeugdhulp uit de hand lopen, is inmiddels landelijk bekend. De Nederlandse gemeenten, sinds 2015 verantwoordelijk voor jeugdhulp, hebben al bij de minister aan de bel getrokken: er moet geld bij. Maar misschien kunnen gemeenten en hulpverleners ook samen de kosten drukken. In Zaanstad proberen ze dat al, aan de Jeugdtafel-C.

In oktober vorig jaar was al duidelijk dat de gemeente Zaanstad meer geld aan jeugdhulp uitgaf dan beschikbaar was. Daarom is toen de Jeugdtafel-C in het leven geroepen, vertelt Reinaud van de Fliert: “Wij hadden vooraf verwacht en doorgerekend dat de verhouding tussen verwijzingen in het B- en C-segment ongeveer 80-20 zou zijn. Omdat behandelingen in het C-segment veel duurder zijn, zouden beide segmenten elk ongeveer de helft van de zorgkosten opslokken. In de praktijk bleek al snel dat die verhouding heel anders was en meer richting 50-50 ging. Dat werd veel te duur.”
Roelien Aardema vertegenwoordigt Jeugdteam Assendelft/Westzaan/Nauerna aan de Jeugdtafel-C. “We bekijken met vertegenwoordigers van alle zes jeugdteams en de gemeente samen of de duurste indicatie wel altijd nodig is. Ook proberen we op deze manier meer eenheid in de zorg te krijgen, zodat ieder kind dezelfde hulp krijgt, ongeacht de wijk waar iemand woont.”

Interpretatieverschil
Omdat de gemeenten tegenwoordig bij de zorginstellingen een resultaat inkopen in plaats van betalen per behandeling, is het niet altijd duidelijk welke inzet wordt gedaan om het gewenste resultaat te behalen, legt Van de Fliert uit. “Bovendien bleek dat er onder instellingen en jeugdteams interpretatieverschil mogelijk is over wanneer een behandeling in het B-segment valt en wanneer het in C thuishoort. Ook daarvoor hebben we de Jeugdtafel-C ingesteld: om daar wat meer gevoel bij te krijgen. De bedoeling is samen een eenduidige visie te ontwikkelen over welke behandeling in welk segment thuishoort en zo meer richting die gewenste 80-20 verhouding te gaan.”
Aardema vult aan: “De indicatie wordt nog steeds gemaakt via aanmelding bij het jeugdteam, een huisbezoek en het opstellen van een perspectiefplan. Het perspectiefplan en het aanmeldformulier worden vervolgens geanonimiseerd ingebracht bij de jeugdtafel waar ze worden besproken: wat is de vraag van het kind, wat is er nodig aan hulp, welke SPIC wordt voorgesteld, wat wordt door de instelling ingezet en past de behandeling bij wat het gaat kosten? Soms blijkt tijdens de bespreking dat het ook anders kan, bijvoorbeeld starten in B en eventueel later overstappen naar C, of soms is een stapel-SPIC mogelijk, met meerdere trajecten in het B-segment.”

Belang van het kind
Het doel van de Jeugdtafel is tweeledig, zegt Van de Fliert: “We willen zowel financieel bijsturen als van elkaar leren. We willen de jeugdteams versterken in hun onderhandeling met de aanbieders en vanuit de inhoud kijken of eenzelfde resultaat ook in het B-segment kan worden behaald. Ons budget is gebaseerd op een gemiddeld tarief, soms valt het wat duurder uit en soms wat goedkoper. De zorgaanbieders denken meer vanuit het maximumtarief, maar de jeugdteams kijken naar de inhoud: doen wat nodig is.” Aardema: “Het belang van het kind staat altijd bovenaan. Natuurlijk gaat het over de portemonnee van de gemeente, maar ieder kind moet krijgen wat nodig is. Daar zijn meerdere manieren voor en het hoeft niet altijd de hoofdprijs te kosten. Het is voor iedereen belangrijk om je bewust te worden van wat iets kost, maar dat mag niet ten koste van de kwaliteit gaan.” Van de Fliert ziet dat de Jeugdtafel resultaat oplevert. “We worden steeds efficiënter in het afpellen van de problematiek. Soms wordt voor een kind hulp gevraagd, maar speelt er vooral volwassenenproblematiek bij een van de ouders. Dat is dan geen jeugdhulp-probleem, maar moet het door de eigen zorgverzekering of WMO worden opgelost. Of soms is het mogelijk om de behandeling klein te beginnen en te kijken hoe het zich ontwikkelt.”

Samen verantwoordelijk
Daarnaast neemt de hoeveelheid casuïstiek af, merken Van de Fliert en Aardema. “Dat komt omdat we naar elkaar zijn toegegroeid en omdat het in zaken die op elkaar lijken al snel duidelijk is hoe we dat gaan aanpakken”, zegt Aardema. “Doordat er minder wordt doorverwezen in C, worden de kostenoverschrijdingen beperkt. Daarnaast is de zorg hierdoor minder wijk-gebonden en minder afhankelijk van de hulpverlener die je krijgt.” Van de Fliert: “De zaken die besproken worden, vallen vaak duidelijk in C. We hoeven dus minder af te wijzen. We zien dat de verhouding tussen B- en C-segment de goede kant opschuift en dat jeugdteams sterker staan in hun gesprekken met aanbieders.” Hoewel het ze geld kan kosten, zijn de aanbieders over het algemeen ook positief, zegt Van de Fliert. “Die zien ook dat het stelsel op deze manier niet houdbaar is. We zijn samen verantwoordelijk om het goed op de rails te krijgen.”

Vertraging valt mee
Hoewel er vooraf vrees bestond dat de gang langs de Jeugdtafel vertraging zou opleveren voor de behandeling, blijkt dat in de praktijk erg mee te vallen. Van de Fliert: “We komen eens in de twee weken bij elkaar, dus nieuwe indicaties worden redelijk snel behandeld. Maar in geval van nood is er een route om de tafel heen. Dan kan de behandeling meteen starten en bespreken we het achteraf, om van te leren.” Ook is de bespreking niet bedoeld om de jeugdteams op de vingers te kijken of hun werk over te doen. “We willen meer grip krijgen op het stelsel, maar het blijft het werk van de jeugdteams. De besprekingen aan de jeugdtafel leiden wel tot meer uniformiteit. Door met elkaar de zaken te bediscussiëren, nemen de jeugdteamleden dat mee naar hun eigen teams.”

Kritisch en onderzoekend
Ook Aardema vindt niet dat in de Jeugdtafel het werk van de jeugdteams wordt ‘overgedaan’. “Ik zie de tafel als kritisch en onderzoekend. En daarbij: de Jeugdtafel is geen nieuwe instantie, wij zíjn het zelf en we dóen het zelf. Natuurlijk kan het lastig zijn: jouw werk wordt beoordeeld, hoe je omgaat met de instelling en hoe de SPIC’s worden bepaald. En als je zaak niet is goedgekeurd, dan moet je opnieuw met de instelling in gesprek. Het is misschien even wennen, maar het is ook fijn: je leert van elkaar hoe zaken soms wel in B kunnen worden opgelost. Daarnaast houdt de gemeente meer geld over en ontstaat een betere samenwerking tussen de jeugdteams en de instellingen.” Misschien wordt de jeugdtafel dankzij dit overleg straks overbodig? Van de Fliert sluit het niet uit. “Dit jaar houden we het nog vol, maar ik kan me voorstellen dat het straks niet meer nodig is, dat het is geland in de dagelijkse praktijk.”

WIE ZIJN ER HIER AAN HET WOORD?


Roelien Aardema
jeugdhulpverlener en verpleegkundige

Aardema werkt sinds 2013 in het jeugdteam Zaanstad als jeugdhulpverlener. Ze is verpleegkundige, IOG’er, (Intensief Orthopedagogisch Gezins­behandelaar), Rots en Watertrainer,
gespecialiseerd in autismespectrum­stoornissen, Triple P-trainer en coördinator van het indicatieteam in Assendelft, Westzaan en Nauerna.

Reinaud van de Fliert
contractmanager expert

Van de Fliert heeft vele jaren in de kinder-, jeugd- en jongvolwassenenpsychiatrie gewerkt. Hij is vanuit contractmanagement coördinator voor de jeugdteams en contractmanager voor de ggd en Lucertis jeugdteams. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de landelijke VNG-contracten voor jeugd, inhoudelijk betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van de inkoop 2018 en in het bijzonder bij het sturen op resultaat.

MEER WETEN?
publicaties.rekenkamer.amsterdam.nl/jeugdhulp-in-zaanstad/index.html


Tekst: Liesbet Mallekoote