‘Goedkope oplossing is een risico’

“Lijn 5 biedt per definitie ‘dure zorg’ in het C-segment. Het gaat om kinderen en jongeren met complexe problematiek: een lichte verstandelijke beperking in combinatie met psychische problemen. Ik zit regelmatig aan de telefoon met indicatiestellers en gemeenten om uit te leggen waarom deze dure zorg soms toch nodig is. Natuurlijk willen wij niet verkwistend omgaan met gemeenschapsgeld, maar we willen wél goede hulp bieden. Dat betekent dat we met z’n allen goed moeten nadenken waar we ons geld aan uitgeven. Aan de andere kant moeten gemeenten er ook op vertrouwen dat zorgaanbieders niet expres dure zorg aanbieden, vertrouwen dat een psychiater of psycholoog de zorg indiceert die nodig is en die onderbouwd kan worden.
We willen het liefst alle opnames in de JeugdzorgPlus, gesloten jeugdhulp, voorkomen. Als we tegelijkertijd een heel ingewikkeld systeem maken om toegang te krijgen tot specialistische behandelingen, strookt dat niet met elkaar. Als je bij moeilijke gezinnen zorg wil bieden in een vrijwillig kader, ben je soms duurder uit dan in een gedwongen kader. Voor een vrijwillige behandeling bij een niet-gemotiveerde jongere moet je eerst een relatie opbouwen. Dat kost tijd en dus geld.
Gesprekken met gemeenten en indicatiestellers moeten niet gaan over ‘hoe kan het zo betaalbaar mogelijk’, maar over: hoe maken we de zorg passend? Daarvoor is allereerst goede diagnostiek nodig. Daarvoor moet je je in het gezin verdiepen, gesprekken voeren en informatie verzamelen. In de casussen die bij ons komen is het belangrijk om te weten wat er aan de hand is: wordt dat drukke gedrag van een kind veroorzaakt door ADHD of is er sprake van langdurend trauma en verwaarlozing? Die achtergrond moet je eerst kennen om het gezin en het kind niet tekort te doen.
Soms heb ik het idee dat er te lang wordt doorgemodderd in de eerste lijn. Het is risicovol om het eerst goedkoop te willen oplossen en pas als het uit de hand loopt alsnog langdurig intensieve hulp te bieden. Het is ook zonde, want vervolgens is het vaak lastiger om het alsnog op te pakken, omdat de problemen zijn verergerd of omdat het gezin niet meer is gemotiveerd. Natuurlijk moeten we geen geld verspillen, maar blijf wel goed nadenken waarbij het gezin gebaat is.”

WIE IS HIER AAN HET WOORD?


Francien Engelhard
GZ-psycholoog

Francien Engelhard is werkzaam als GZ-psycholoog en hoofd behandelzaken bij Lijn 5.

 

‘Op termijn komt de zorg in gevaar’

“De vraag vanuit gemeenten om de kosten te beperken, is een groot dilemma voor de zorgaanbieders in de praktijk. Wij hebben van gemeenten de opdracht gekregen te doen wat nodig is om resultaten te behalen. En dat doen wij, soms met medewerking van onderaannemers. We letten erop alleen te doen wat echt nodig is, omdat anders de kosten te hard stijgen. Wanneer een kind wordt aangemeld bij een pleeggezin en ook traumabehandeling nodig heeft, kunnen we dat tegenwoordig met behulp van onderaannemers zelf organiseren. Dat werkt: de hulp wordt beter op elkaar afgestemd. Het lukt vaker dan voorheen en dat betekent ook: hogere kosten. Dat realiseren wij ons, maar het is wel volgens de opdracht vanuit de gemeenten.
Zelf proberen we de kosten in de hand te houden met een aantal strenge selectiemechanismen voor het al dan niet inzetten van onderaannemers die een vorm van verblijf aanbieden, want verblijf is relatief duur. Elke aanvraag daarvoor gaat door een hele molen, waarbij vooral ook gekeken wordt of de behandeling misschien toch ambulant kan. In de gemeente Amsterdam gaat de aanvraag dan ook nog langs de Transformatietafel, waar deskundigen en gemeente de mogelijke uithuisplaatsing bespreken en alternatieven bekijken. Daarnaast hebben we maximumbedragen voor ambulante onderaannemers ingesteld.
Uiteindelijk willen we allemaal doen wat het beste is voor het kind, maar hebben de gemeenten te maken met een meerjarig bezuinigingsplan. Het extra geld dat de minister onlangs heeft toegezegd is te weinig om alle problemen op te lossen. Ik snap de maatregelen die de gemeenten nu nemen, bijvoorbeeld door een behandeling te starten in het B- in plaats van C-segment en het instellen van
de Transformatietafel. Maar die bureaucratische routes zou je liever van de praktijk willen weghouden. Op termijn komt de hulp hierdoor in gevaar.
We voelen zeker grote druk vanuit de gemeenten, maar ik snap dat ook. Er moet in elk geval geld bij, dat is tenminste een deel van de oplossing. Er is nu eenmaal een groep kinderen in wie je moet investeren op jonge leeftijd om te voorkomen dat je later meer kosten gaat maken, bijvoorbeeld aan volwassenen-ggz, verslavingszorg en uitkeringen. Daarnaast kunnen instellingen nog efficiënter en goedkoper proberen te werken. Aan de andere kant hebben we te maken met een andere manier van hulp verlenen en een stijging in het aantal cliënten. Ook gemeenten zelf kunnen iets doen, door de potjes anders te verdelen. Met investeren in huisvesting, scholing en schuldhulpverlening aan gezinnen kun je al veel problemen voor kinderen oplossen of voorkomen. Dus er is vanuit gemeenten opnieuw een stevige lobby richting het Rijk noodzakelijk.”

WIE IS HIER AAN HET WOORD?


Theo Schut
pedagoog

Schut werkt als regionaal accounthouder van Spirit voor de veertien gemeenten in de regio’s Amsterdam-­Amstelland en Zaanstreek–Waterland